Khairani

Khairani Arrifin

‘Als kind kon ik al niet tegen onrecht. Ik woonde in een desa, een dorpje, aan de rand van het Exxon-gasveld bij Lhokseumawe. Elke dag als ik naar school liep zag ik de rijkdom van Exxon: mensen die in grote auto’s reden en in de luxe bungalows van het olieconcern woonden.

Die rijkdom stak schril af bij de armoede in onze desa. Onze grond werd afgepakt en wij werden uit onze huisjes verdreven om plaats te maken voor de gaswinning. We hadden geen enkel recht. Wij hadden maar te verhuizen, als dat werd gevraagd. Daarom ben ik Rechten gaan studeren, om ervoor te zorgen dat ook arme mensen kregen waar zij volgens de wet aanspraak op hadden.’

Bevrijding

‘In 1999 was de oorlog in Atjeh op een hoogtepunt. Vooral in de dorpen was de situatie afgrijselijk. Indonesische militairen staken huizen in brand, mensen werden geslagen, mishandeld en vermoord. Iedereen sloeg op de vlucht. Mannen verstopten zich in de bossen en vrouwen werden met hun kinderen naar vluchtelingenkampen gestuurd. Mijn vriendinnen en ik zagen de toestand waarin deze vluchtelingen verkeerden. De vrouwen leefden zonder hun mannen in bittere armoede. Ze hadden geen enkele greep op wat er met ze gebeurde en leefden in voortdurende angst. Niemand luisterde naar ze, niemand zette zich in voor hun belangen. Ze moesten maar zien hoe zij met al hun psychische, sociale en economische problemen overleefden. Wij richtten ‘Relawan Perempuan untuk Kemanusiaan’ (RpuK) op, ‘Vrijwilligsters voor de Menselijkheid’, om iets te doen voor deze vrouwen. We bezochten ze in de kampen en in de dorpen, spraken met ze en begonnen discussiegroepjes. Ze hadden nog nooit met iemand kunnen praten over wat zij hadden meegemaakt, tot wij kwamen. Dat alleen al was voor hen een bevrijding.’

Handlangers

‘Atjeh was erg gevaarlijk in die dagen. Vluchtelingen werden vaak aangevallen. Dorpelingen werden bovendien gebruikt als menselijk schild. Ze werden gedwongen voor Indonesische militairen uit te lopen als die op jacht gingen naar strijders van de ‘Gerakan Aceh Merdeka’ (GAM), de ‘Beweging Vrij Atjeh’.
Ook voor onszelf was het gevaarlijk. Ik ben tijdens mijn bezoeken aan dorpen opgepakt, naar militaire posten gebracht en daar geslagen en mishandeld, ook seksueel. De Indonesiërs beschouwden ons als handlangers van GAM en de GAM-strijders verdachten ons ervan dat wij met de Indonesiërs heulden. Ook zij hebben mij opgepakt, vastgehouden en ondervraagd. Natuurlijk was ik bang in die tijd. Hoe kun je níet bang zijn onder zulke omstandigheden? Ik heb vaak overwogen ermee op te houden. Maar dan dacht ik aan de vrouwen. Ik dacht: “Met wie kunnen zij praten, wie geeft ze rust, wie geeft ze hoop, wie luistert naar hun problemen, als ik dat niet meer doe? Deze vrouwen zouden zich zó vreselijk in de steek gelaten voelen, als ik ermee op zou houden. Dat zou ik niet kunnen verdragen.” Ik luisterde naar mijn hart. Daarin vond ik de kracht om door te gaan.’

Overlevenden

‘Toen kwam de tsunami. Die heb ik met mijn man en twee kinderen ternauwernood overleefd. We verloren wel ons huis en al onze bezittingen, maar wij leefden nog. Binnen enkele dagen gingen we weer met RpuK aan de slag. Terwijl de hele wereld zich richtte op de slachtoffers van de tsunami, concentreerden wij ons op de overlevenden; de vrouwen die door het conflict waren getroffen.
Kort na de tsunami, in 2005, werd het vredesverdrag getekend. Ons werk is daardoor een stuk makkelijker geworden. We kunnen nu zonder problemen naar alle dorpen reizen, niemand valt ons meer lastig. Maar vrede of niet, vooralsnog blijven we nodig. De vrouwen in de desa’s leven nog altijd in armoede. Ze hebben nog steeds geen mogelijkheden om zich daaruit te bevrijden. Ze krijgen geen hulp, omdat ze niet voldoen aan de slachtoffercriteria van internationale hulporganisaties. Er wordt nog steeds niet naar hen geluisterd. Met trainingen, discussies en juridische bijstand proberen wij hen zichtbaar te maken. Hen een stem te geven.’

Bewondering

‘De rol van dit soort vrouwen in het vredesproces in Atjeh is ontzettend belangrijk, maar wordt nog steeds volledig genegeerd. Resolutie 1325 kan daar iets aan veranderen, maar deze resolutie is hier nog nauwelijks doorgedrongen. Een land als Nederland zou ons technische assistentie kunnen geven. Misschien zou ze ons ook kunnen helpen de geest van die resolutie door te voeren in de wetgeving en de regels van bestuur. Zolang dat niet is gebeurd, hebben deze vrouwen ons nodig.
Ik heb enorme bewondering voor ze. Ze hebben alles meegemaakt, zijn alles kwijtgeraakt, zijn mishandeld en gaan desondanks door. Ze zorgen voor hun kinderen en geven nooit op. Zij zijn veel sterker dan ik. Zij zijn mijn echte inspiratie.
Ik hoop dat ik deze bewondering kan overbrengen op mijn twee kinderen. En dat die straks, als het nodig is, net zo zullen handelen als ik. Ik hoop dat zij niet opgroeien tot individualisten, maar tot mensen die geven om anderen. Dat is mijn enige wens voor de toekomst.’

Khairani Arrifin, docent Rechten en oprichtster van RPUK, maakt zich sterk voor de vrouwen in Atjeh.